WELSH-BELGIAN POETRY WORKSHOP

Stem
Please_leave723
Photo: Karolis Zukauskas
Richard Gwyn vertaling Benno Barnard
Waar praatten we over? Het antwoord
ontschiet me. Al die onvoltooide zinnen,
pauzes; stilte. Onze uren daglicht
en de zon almaar zien ondergaan. Nachten
dat we zwommen in de pijnbomenbaai,
doken met de schildpadden.
En wat als ik denk aan je stem:
een uitstorting van parels in het water,
lipletters en glijders lichter dan zuurstof,
de vloeibare klinkers die hoorden
bij nacht en water;
een stem bepoederd met fijn wit zand,
die tussen pijnbomen roept:
een onwaarschijnlijke nachtvogel
alleen in een reusachtig woud.
Je stem was je enige pantser,
een paradox onder de stemmen,
bijna altijd aan het breken,
haast gebroken, haast
doorbrekend. Jaren later
hoor ik je stem in dromen,
zacht en plagend wek je deze
rampzalige emoties, alsof
er een gat wordt geboord door
mijn plexus, en de zonnemelk
eruit gezogen door een rietje.
's Ochtends sta ik naakt te kijken
naar het gat in mijn middel,
steek er mijn vingers in,
en ik zeg: 'dit heeft je stem gedaan.'
Maar dat is niet waar. Mijn herinnering
aan je stem: die berokkent de schade.


Snakken naar zout
Richard Gwyn vertaling Benno Barnard
Herinner ik me jou straks in het bleke gele licht,
als een vis die mijn mond, als een virus
dat mijn bloed, een angst die mijn buik binnendringt?
Herinner ik me jou straks als een catastrofe
die tussenbeens raasde, scherpe tandjes in mijn lip,
gezouten tong waar mijn tong gek op was?
Je hebt die kleine diefstallen nooit opgebiecht:
mijn moeders ring, het standbeeld uit Knossos,
het medaillon voor het haar van de kinderen
die we nooit kregen. Kijk, je komt mijn botten stelen,
witte tandjes, een ketting van gekleurde stenen,
venus- en mosselschelpen om je middel,
een enkelband van emerald. Maar nu je terug bent
gegaan naar de zee, kan ik je wreedheid vergeven,
je woedende buien, je haken naar wraak,
herinner me in plaats daarvan jouw huid
op mijn huid, hoe je naar me keek die middag
in de grot aan zee: buiten tierden meeuwen,
een bende kwaaie schuldeisers in een verder vreselijk
stil geworden wereld. En jij, genesteld in
het witte zand, gevangen in de netten die ik knoopte
met een devote ernst, veranderde volstrekt in zout.


In het paleis
Richard Gwyn vertaling Benno Barnard
Ik wou mijn geheime waterverhaal vertellen,
maar weet je, het is een en al afval
en doorweekte praat, zoals dit waden
door weerzinwekkend spoelwater,
volgelopen corridors en sloppen,
holten en passages die hun zootje
wrakhout van kamer naar kamer dragen.
Het is alsof we een paleis bewoonden
waar de valuta der wellevendheid
doordrenkt was, aangespoelde resten,
oude kleren, rottend eten, lijken,
en 's konings troon die langzaam
door de zondvloed tolde
als een krab met houten leden:
ratten sprongen van een leuning
naar de dobberende luchter,
slangen glinsterden over het oppervlak
als moeizame bewegingen
van de geest bij dageraad.
Al onze energie gaat op
aan waden tot ons middel, domweg waden
door deze rampzalige zaal,
maar de koning zelf ligt zat
bij het venster in de hoogste toren
en zingt zeemansliedjes voor het opgedofte
karkas van zijn koningin.


Deze vertalingen zijn het resultaat van een vertaalworkshop georganiseerd door Het
beschrijf en Welsh Literature Abroad in Passa Porta, op 15 november 2007.




Fisher, 50 B.C.
Benno Barnard

Translated from the Dutch by Richard Gwyn in collaboration with the poet


What else did I do by the river
but put out my fyke nets, listen to old
tales of blood and gore, enter her
with a growl, to make and bequeathe
a golden boy?

Sure, that was way back.
But it was on this very river bank,
by moonlight, while knotting
my nets, that I mumbled unfamiliar words
to the darkening woods,

words I couldn't grasp myself -
about a water-bird for instance, and not some great Celt.
What did they mean? Where did they come from? And why
my mouth their oracle, the mouth of a man
in a simple boat

on the Scheldt?
I listened to our sages but wasn't sure
if they themselves were able to explain the sodden earth.
I never believed we'd one day be building
cathedrals and stuff.

Never mind if you misunderstand.
In this great river's bend
I contrived to make a son,
whom I taught my knots
in the steaming light of dawn.


Woman Innkeeper
Benno Barnard

Translated from the Dutch by Richard Gwyn in collaboration with the poet


This stranger here, you can tell he's swallowed
the dust of many roads.
His accent thick, his shirt
torn; the hand he used to gesture for a beer
never in his life has steered
a plough: slender like a scribe's.

All kinds come in my place,
from drunken Genovese
to silent, sullen Balts. They all
promise me the world, you get my drift,
exotic spices, amber, silk. Ridiculous.
But this one

stares into his mug - as if I have no jugs,
like he sees to the bottom of things, or round corners.
I'd wager he's not picturing a scene of folk
who crouch around a smoking fire, sticking
their knives into a mystery;

nor some fancy lord on horseback and a falconer
(weird like that winged creature
carved out in the porch of the cathedral);
nor crow-fodder served
on the gallows-field in scuds of rain -

but what, then? What does my blindly staring
stranger see, why does it make me
think I sit and smile for seven centuries:
never knowing, never knowing for sure
if we have met before.





© University of Wales, Aberystwyth 2002-2009       home  |  e-mail us  |  back to top
site by CHL